Net als andere soorten honden als bijvoorbeeld dogachtigen hebben de waterhonden deels een overeenkomstige achtergrond en een bijzondere Ďeigení geschiedenis.

Allerlei literatuur vermeldt dat allerlei soorten honden via AziŽ en vervolgens via Voor-AziŽ, het Midden-Oosten of Noord-Afrika in het Zuiden van Europa terecht kwamen. De mastiff, het oudste ras van Engeland, kwam voor in AssyriŽ en Egypte en Griekenland. In december 2002 concludeerde een team van Zweedse en Chinese onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Science dat de domesticatie van de hond ongeveer 15.000 jaar geleden plaatsvond in Zuidoost-AziŽ. Het onderzoek bevestigde dat de grijze wolf (canis lupus), de voorvader van de hond is. Het is dus vanzelfsprekend dat de eerste hondensoorten zich verspreidden vanuit Zuid-Oost AziŽ.

In de loop der eeuwen ontwikkelden zich verschillende categorieŽn jachthonden: de lopende honden op groot wild, de lopende honden op klein wild, de zweethonden en de staande honden. De Wetterhoun wordt tot de laatste groep gerekend en valt in de landelijke indeling onder rasgroep acht, spaniŽls, retrievers en waterhonden. De Wetterhoun is ingedeeld in groep acht, sectie C. van de waterhonden, naast onder andere de Portugese, Spaanse en Italiaanse  waterhond. In hoeverre elk ras dat bij de waterhonden is ingedeeld een eigen historische ontwikkeling heeft doorgemaakt, valt niet precies te zeggen. Het is vrijwel zeker dat uit de waterhonden als soort op vele plaatsen honden ontstonden die een gebruiksfunctie hadden in, op, onder en om het water. In de loop der eeuwen ontstonden in veel gebieden een Ďeigení waterhond. Voor Friesland is dat de Wetterhoun.

De afkomst van de Wetterhoun

De Wetterhoun maakt deel uit van de groep waterhonden. Ongeveer 600 jaar v. Chr. komen we honden van het waterhondtype tegen in het gebied rond de Perzische Golf. Via de Romeinen kwam de waterhond in Europa terecht.
Er zijn teksten bekend dat de Romeinen honden gebruikten voor het binnenhalen van de visnetten. Deze hond werd de Ďcanis piscatorí, ofwel de Ďvissende hondí genoemd.
In een tekst uit 1297 beschrijft een monnik over de redding van een visser door een hond aan de zuidkust van Portugal. In dit land ontstond de Portugese waterhond. Nog geen halve eeuw later komt de waterhond in Engeland voor, omdat Portugese vissers toestemming hadden om in Engelse wateren te vissen. Dr. Joannes Caius schreef in 1560 een verhandeling over de waterhond. Hij noemt de hond aquaticus, een waterspaniŽl.
De Zweedse graaf Stenbock diende rond 1700 in het Engelse leger. Toen hij terug ging naar zijn vaderland, nam hij twee waterhonden mee. Deze honden hebben duidelijke overeenkomsten met de Friese Wetterhoun.
De eerste feitelijke aanwijzing dat de Wetterhoun in de Lage Landen voorkomt vormt een schilderij van de Vlaming David Teniers de Jonge (1610-1690). Op het doek Boerenjongen met hond staat een Wetterhoun afgebeeld. Volgens de Friese Wetterhounkenner Simon van der Meulen uit Warten kwam de Wetterhoun via palinghandelaren in ons land terecht.
 

Sinds de veertiende eeuw was er vanuit Amsterdam en omstreken palinghandel op Engeland. Hoewel de visie van Van der Meulen niet op feiten gebaseerd is, is zijn opinie interessant. Door de bevolkingstoename in de zeventiende eeuw werden poelen, moerassen en meren in Holland drooggelegd en gecultiveerd tot landbouwgrond. Daardoor was er minder leefgebied voor de otter en werd de Wetterhoun of otterhoun minder ingezet.
Na verloop van tijd heeft de Wetterhoun zich alleen in het geÔsoleerde Friesland kunnen handhaven, waar tot aan de Tweede Wereldoorlog op de otter werd gejaagd.

Meer informatie over dit fascinerende ras is te vinden in het boek "De Wetterhoun, een eigenzinnig fenomeen".